Logo

WeBible

Psalms 87

87 / 150
1

Een lied; een psalm van de zonen van Kore. Voor muziekbegeleiding; met de fluit. Een klaag- en leerdicht van Heman, den Ezrachiet.

2

Jahweh, mijn God, overdag roep ik om hulp, En schrei des nachts voor uw aanschijn.

3

Laat mijn gebed voor uw aangezicht dringen; Luister toch naar mijn klagen.

4

Want mijn ziel is zat van ellende, Mijn leven het rijk der doden nabij;

5

Men telt mij bij hen, die ten grave dalen, Ik ben als een man, aan het eind van zijn kracht.

6

Ik ben als de doden verstoten, Als lijken, die in het graf zijn gelegd: Aan wie Gij niet langer meer denkt, En die aan uw hand zijn onttrokken.

7

Gij hebt mij in de diepe grafkuil gestort, In duisternis en in de schaduw des doods;

8

Uw toorn drukt zwaar op mij neer, Al uw golven slaan over mij heen.

9

Gij hebt mijn vrienden van mij vervreemd, En ze van mij laten walgen; Ik zit in de knel, en kan er niet uit,

10

Mijn oog versmacht van ellende. De ganse dag, Jahweh, roep ik U aan, En strek mijn handen naar U uit:

11

Of doet Gij aan de doden nog wonderen, Staan de schimmen soms op, om U te loven?

12

Zal men in het graf van uw goedheid gewagen, Van uw trouw in de afgrond;

13

Zal men in de duisternis uw wondermacht kennen, Uw gerechtigheid in het land van vergeten?

14

Daarom, Jahweh, roep ik U aan, Treedt iedere morgen mijn bede U tegen.

15

Waarom zoudt Gij mij dan verstoten, o Jahweh, En mij uw aanschijn verbergen?

16

Van jongsaf ben ik in ellende en zorgen gedompeld, Ik ben radeloos onder de last van uw plagen;

17

Uw gramschap slaat over mij heen, Uw verschrikkingen overstelpen mij.

18

Als water omringen ze mij iedere dag, En sluiten mij helemaal in;

19

Gij hebt vrienden en makkers van mij vervreemd, En mijn bekenden door mijn ellende.

Psalms 87