[1:66] Doch velen in Israël zijn versterkt geworden, vast voornemende niet te eten enige onreine dingen; [1:67] En verkoren liever te sterven, opdat zij zich niet zouden besmetten met de spijzen, noch het heilig verbond ontheiligen en zijn gestorven. [1:68] En de toom des konings was zeer groot over Israël.