Psalms 96

1 Jahweh is Koning! Laat de aarde jubelen, De ontelbare eilanden juichen!

2 Donkere wolken pakken zich om Hem heen, Recht en gerechtigheid schragen zijn troon.

3 Vuur gaat voor zijn aangezicht uit, En het vlamt om zijn schreden;

4 Zijn bliksems verlichten de wereld, De aarde ziet het, en beeft!

5 De bergen smelten als was voor het aanschijn van Jahweh, Voor den Heer van de volheid der aarde;

6 De hemelen kondigen zijn gerechtigheid aan, Alle volken aanschouwen zijn glorie.

7 Alle beeldenaanbidders worden te schande, Die zich op hun goden beroemen; En diep in het stof werpen alle afgoden Zich voor Hem neer.

8 Sion hoort het vol vreugde, Juda’s dochteren juichen, Jahweh, om uw gericht;

9 Want Gij zijt de Allerhoogste op heel de aarde, o Jahweh, Hoog boven alle goden verheven!

10 Jahweh heeft lief Die de ongerechtigheid haat; Hij behoedt het leven van zijn getrouwen, En redt ze uit de handen der bozen.

11 Een licht straalt over de rechtvaardigen uit, En blijdschap over de oprechten van hart;

12 De vromen zullen zich in Jahweh verheugen, En loven zijn heilige Naam!