Поглавље 24 : Стих 10
En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zeide tot den Heere: Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o Heere, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.