Ik blijf dus vertrouwen, al roep ik ook uit: "Ik ben diep ongelukkig!"
Al zou ik in mijn ellende ook zeggen: "Er is geen mens te vertrouwen!"
Hoe zal ik Jahweh kunnen vergelden Al het goede, dat Hij mij deed?
De kelk der redding hef ik omhoog, En roep de Naam van Jahweh aan;
Ik zal mijn gelofte aan Jahweh volbrengen Ten overstaan van heel het volk:
Want te duur was in de ogen van Jahweh De dood zijner vromen.
Ach Jahweh, ik ben maar uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd, Toch hebt Gij mijn boeien verbroken:
Ik breng U dan een offer van dank, En roep de Naam van Jahweh aan,
—
In de voorhoven van Jahweh’s huis, Binnen uw muren, Jerusalem!