Psalms 136

1 Aan Babels stromen zaten wij schreiend Bij de gedachte aan Sion;

2 En aan de wilgen, die daar stonden, Hingen wij onze harpen op.

3 Ja, daar durfden onze rovers Ons nog liederen vragen; En onze beulen: "Zingt ons vrolijke wijsjes Uit de zangen van Sion!"

4 Ach, hoe zouden wij Jahweh’s liederen zingen Op vreemde bodem!

5 Jerusalem, zo ik u zou vergeten, Ik vergat mijn rechterhand nog eer;

6 Mijn tong mag aan mijn gehemelte kleven, Zo ik u niet gedenk: Zo ik niet meer van Jerusalem houd, Dan van het toppunt van vreugde.

7 Jahweh, reken de zonen van Edom De dag van Jerusalem toe; Die riepen: Smijt ze neer, smijt ze neer; Neer met haar op de grond!

8 En gij, dochter van Babel, moordenares: Heil hem, die u vergeldt wat gij ons hebt gedaan;

9 Heil hem, die uw kinderen grijpt, En tegen de rots te pletter slaat!