Psalms 35

1 Voor muziekbegeleiding. Van David, den dienaar van Jahweh.

2 De zonde fluistert den boze haar inblazingen toe. In het diepst van zijn hart; Geen vreze Gods Staat hem voor ogen.

3 Want ze heeft hem met blindheid geslagen, Zodat hij zijn misdaad kent noch haat.

4 Het woord van zijn mond Is leugen en bedrog. Hij weigert, zich verstandig en goed te gedragen;

5 Zelfs op zijn sponde bedenkt hij nog slechtheid. Het verkeerde pad gaat hij op, En wendt zich niet af van het kwaad.

6 Maar uw goedheid, o Jahweh, reikt tot de hemel, En tot aan de wolken uw trouw;

7 Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Als de onmetelijke oceaan uw gericht. Mensen en dieren helpt Gij, o Jahweh;

8 Hoe heerlijk is uw genade, o God! Daarom zoeken de kinderen der mensen Hun toevlucht in de schaduw uwer vleugelen;

9 Zij verzadigen zich met het vet van uw woning, Gij laaft ze aan uw stroom van geneugten.

10 Want bij U is de bron van het leven, In ùw licht aanschouwen wij licht.

11 Blijf uw goedertierenheid tonen aan hen, die U vrezen, Uw gerechtigheid aan de oprechten van hart;

12 Laat geen trotse voet mij vertrappen, Geen goddeloze vuisten mij slaan.

13 Maar waar de zondaars vallen, Laat ze daar liggen, en nimmermeer opstaan.