Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith. [06:2] O Heere, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
[06:3] Wees mij genadig, Heere, want ik ben verzwakt; genees mij, Heere, want mijn beenderen zijn verschrikt.
[06:4] Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, Heere, hoe lange?
[06:5] Keer weder, Heere, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.
[06:6] Want in den dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?
[06:7] Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.
[06:8] Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.
[06:9] Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de Heere heeft de stem mijns geweens gehoord.
[06:10] De Heere heeft mijn smeking gehoord; de Heere zal mijn gebed aannemen.
[06:11] Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.