Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-labben. [09:2] Ik zal den Heere loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.
[09:3] In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!
[09:4] Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.
[09:5] Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.
[09:6] Gij hebt de heidenen gescholden, den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos.
[09:7] O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan.
[09:8] Maar de Heere zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
[09:9] En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.
[09:10] En de Heere zal een Hoog Vertrek zijn voor den verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.
[09:11] En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, Heere, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.
[09:12] Psalmzingt den Heere, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.
[09:13] Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.
[09:14] Wees mij genadig, Heere, zie mijn ellende aan, van mijne haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;
[09:15] Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.
[09:16] De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.
[09:17] De Heere is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.
[09:18] De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.
[09:19] Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.
[09:20] Sta op, Heere, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.
[09:21] O Heere! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela.