Logo

WeBible

Psalms 9

9 / 150
1

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-labben. [09:2] Ik zal den Heere loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.

2

[09:3] In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!

3

[09:4] Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.

4

[09:5] Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.

5

[09:6] Gij hebt de heidenen gescholden, den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos.

6

[09:7] O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan.

7

[09:8] Maar de Heere zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.

8

[09:9] En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.

9

[09:10] En de Heere zal een Hoog Vertrek zijn voor den verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.

10

[09:11] En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, Heere, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.

11

[09:12] Psalmzingt den Heere, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.

12

[09:13] Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

13

[09:14] Wees mij genadig, Heere, zie mijn ellende aan, van mijne haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;

14

[09:15] Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.

15

[09:16] De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.

16

[09:17] De Heere is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.

17

[09:18] De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.

18

[09:19] Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.

19

[09:20] Sta op, Heere, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.

20

[09:21] O Heere! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela.

Psalms 9