Logo

WeBible

Tobit 5

5 / 14
1

En Tobias antwoordende, zeide: Vader, alles wat gij mij geboden hebt, zal ik doen.

2

Maar hoe zal ik dat geld kunnen ontvangen, daar ik hem niet ken?

3

En toen gaf hij hem het handschrift, en zeide tot hem: [5:4] Zoek uzelf een man, die met u trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en trek heen, ontvang het geld.

4

[5:5] En hij ging heen om een man te zoeken, en hij vond Rafaël,

5

[5:6] Welke was een engel, maar hij wist het niet. [5:7] En hij zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen trekken tot Ragis in Medië? [5:8] En zijt gij ook in die plaats bekend?

6

[5:9] En de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broeder geherbergd.

7

[5:10] En Tobias zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, en vertoef niet.

8

[5:11] En ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb één gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep hem.

9

[5:12] En hij kwam in, en zij groetten elkander.

10

[5:13] En Tobias zeide tot hem: Broeder uit welke stam en uit welk geslacht zijt gij? Geef het mij te kennen.

11

[5:14] En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten.

12

[5:15] Hij dan zeide: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een uwer broederen.

13

[5:16] En Tobias zeide: Welkom zijt gij broeder. [5:17] En wil over mij niet gram worden, omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht te weten. [5:18] Ook gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel; [5:19] Dewijl wij tezamen getrokken zijn naar Jeruzalem om te aanbidden, daarheen brengende de eerstgeborenen van het vee en de tienden der vruchten. [5:20] En zij zijn niet verleid geworden tot de afdwaling onzer broederen.

14

[5:21] Broeder, gij zijt van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? Een drachme des daags, en hetgeen u nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, indien gijlieden gezond wederkeert.

15

[5:22] En zij zijn zo overeengekomen.

16

[5:23] En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga ulieden wel.

17

[5:24] En zijn zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met ulieden.

18

[5:25] En zij gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond des jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?

19

[5:26] Och of dat geld nooit voorgekomen ware, maar dat hetgeen wij bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht.

20

[5:27] Want zulks als ons van de Here gegeven is om te leven, dat is ons genoeg.

21

[5:28] En Tobias zeide tot haar: Heb geen zorg, zuster, hij zal gezond weder komen, en uw ogen zullen hem zien.

22

[5:29] Want een goede engel zal met hem trekken, en zijn reis zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weder keren; en zij hield op van schreien.

Tobit 5