Logo

WeBible

Tobit 7

7 / 14
1

En gingen tot het huis van Raguël, en Sara kwam hen tegemoet, en groette hen, en zij weder haar.

2

En zij bracht hen in het huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt deze jongeling Tobias, mijn neef.

3

En Raguël vroeg hun: Van waar zijt gij, broeders? [7:4] En zij zeiden tot hem: Uit de kinderen van Naftali zijn wij, van de gevangenen te Nineve.

4

[7:5] En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem wel.

5

[7:6] En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.

6

[7:7] En Raguël sprong op en kuste hem, en weende, en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken en goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren, werd hij bedroefd en weende.

7

[7:8] En Edna, zijn vrouw, en Sara zijn dochter weenden ook.

8

[7:9] En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias, spreek nu van hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor.

9

[7:10] En Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink, en zijt vrolijk; want u komt het toe mijn dochter te nemen.

10

[7:11] Doch ik wil u de waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar wat nu belangt, zijt vrolijk.

11

[7:12] En Tobias zeide: Ik zal hier geen spijs smaken, totdat gij hier zult staan, en, het mij toegestaan zult hebben. Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.

12

[7:13] En de barmhartige God brenge ulieden alles goeds toe!

13

[7:14] En hij riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader. [7:15] En nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.

14

[7:16] En hij riep Edna, zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef een handschrift en verzegelde dat. [7:17] En zij begonnen te eten.

15

[7:18] Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster, bereid de andere kamer, en breng hen daarin. [7:19] En zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar, en zij weende, en ontving ook de tranen van haar dochter,

16

[7:20] En zij zeide tot haar: Heb goede moed, dochter, de Here des hemels en der aarde geve u vreugde voor deze uw droefheid, heb goede moed, dochter.

Tobit 7