Een psalm van David, voor den opperzangmeester. [064:2] Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.
[064:3] Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid.
[064:4] Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl;
[064:5] Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.
[064:6] Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?
[064:7] Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.
[064:8] Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.
[064:9] En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken.
[064:10] En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandelijk aanmerken.
[064:11] De rechtvaardige zal zich verblijden in den Heere, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen.